NederländskaRedigera

PronomenRedigera

zijn

  1. hans, dess, sin; tredje person singular possessivt pronomen maskulinum och neutrum

VerbRedigera

Böjningar av zijn  Presens Preteritum Futurum
Singular ik ben was zal zijn
jij/je/U,
gij/ge
bent was zal/zult zijn,
zult zijn
hij/zij/het is was zal zijn
Plural wij/we, jullie, zij/ze zijn waren zullen zijn
Presensparticip Perfektparticip Imperativ Konjunktiv
zijnde zijn  geweest wees  weest zij

zijn

  1. vara