NederländskaRedigera

SubstantivRedigera

Böjningar av hebben  Presens Preteritum Futurum
Singular ik heb had zal hebben
jij/je/U,
gij/ge
hebt had zal/zult hebben,
zult hebben
hij/zij/het heeft had zal hebben
Plural wij/we, jullie, zij/ze hebben hadden zullen hebben
Presensparticip Perfektparticip Imperativ Konjunktiv
hebbend hebben  gehad heb  hebt hebbe

hebben

  1. ha