AfrikaansRedigera

VerbRedigera

doen

  1. göra
    Wat doen jy?
    Vad gör du?

NederländskaRedigera

VerbRedigera

Böjningar av doen  Presens Preteritum Futurum
Singular ik doe deed zal doen
jij/je/U,
gij/ge
doet deed zal/zult doen,
zult doen
hij/zij/het doet deed zal doen
Plural wij/we, jullie, zij/ze doen deden zullen doen
Presensparticip Perfektparticip Imperativ Konjunktiv
doend hebben  gedaan doe  doet doe

doen

  1. göra, företa